In de 1e lezing van deze eucharistieviering hoorden we een gebed van de profeet
Jeremia (Jer. 20,7-9). De manier waarop hij bidt, klinkt ons vreemd in de oren.
Wij zouden van een man Gods wellicht een ander gebed hebben verwacht: Jeremia
zegt dat hij zich door God ‘verleid’ voelt. Hij kon tegen Gods overredingskracht
niet op en volgde daarom zijn roeping. Dat heeft hij geweten: spot, schande
en smaad vielen hem ten deel, omdat niet iedereen op Gods woord zat te wachten.
Hij worstelt dan ook met gevoelens van teleurstelling en moet vechten om de
moed erin te houden. God blijft hem echter zijn genade schenken: telkens opnieuw
doet Hij een vuur in het hart van Jeremia oplaaien dat hij niet kan onderdrukken,
maar dat hem op de weg houdt van zijn roeping als profeet.
Bij praktisch elke profeet komt dit soort ervaringen voor: ook in het leven van Alphons Ariëns, de priester van ons aartsbisdom die we vandaag herdenken. Hoewel tenger van postuur is hij een voor ons een grootse gestalte met profetische allure op het vlak van de sociale leer van de Kerk. Bij zijn aantreden als kapelaan te Enschede in oktober 1886 werd hij geconfronteerd met het armoedige leven van fabrieksarbeiders in de Twentse textielindustrie. Hij werd ten diepst geraakt door de sociale ellende die daar toen heerste. Deze ging gepaard met drankmisbruik, wel gekwalificeerd als de ‘gesel’ van de 19e eeuw.
De christelijke caritas, het antwoord van de Kerk op armoede en sociale ellende, voldeed niet meer. De Kerk moest ook een leer ontwikkelen over een rechtvaardige inrichting van de maatschappij als zodanig, en daartoe gaf Leo XII de eerste aanzet met zijn encycliek Rerum Novarum uit 1891. Geheel in de lijn van deze encycliek legde Alphons Ariëns de basis voor de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging en nam hij tal van andere initiatieven om ervoor te zorgen dat arbeiders en hun gezinnen een menswaardig bestaan konden leiden
Dit leverde hem in het algemeen veel waardering op van de kant van de arbeiders, maar minder van anderen, die met onbegrip tegenover zijn werk stonden, onder wie ook zijn bisschop, Mgr. Van de Wetering. Door journalisten die zijn werk in een kwaad daglicht stelden, werd zelfs laster over hem verspreid. Evenals alle profeten, zoals de profeet Jeremia, moest Alphons Ariëns de nare consequenties onder ogen zien die aan het volbrengen van zijn roeping verbonden waren. Anderzijds bleef het vuur van Gods Geest in hem branden en bleef hij zijn roeping trouw. Hij paste de woorden van Jezus uit het Evangelie op zijn eigen leven toe: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen” (Mat. 16,24)
Nu de sociale kwestie van de 19e eeuw al lange tijd geleden is opgelost, zou de vraag kunnen rijzen welke de actuele betekenis van Ariëns is. Hij heeft weliswaar een grote rol gespeeld bij het ontstaan van de vakbonden, maar die trekken steeds minder leden. Is het daarom niet tijd hem definitief toe te vertouwen aan de geschiedenisboeken? In meerdere opzichten zou dat een vergissing zijn. Nog steeds bestaat er een schrijnende sociale problematiek: ook in het welvarende Nederland komen gezinnen voor die beneden de armoedegrens leven en zijn er zo’n 6.000 zwerfkinderen in het welvarende Nederland, om nog maar niet te spreken van de miljoenen zwerfkinderen in andere continenten.
Maar daarvan nog afgezien: Alphons Ariëns is meer dan alleen een sociale voorman. Op de eerste plaats was hij een katholiek priester met een diep geloof. Hij was ervan overtuigd dat als zijn parochianen Christus beter zouden leren kennen, zij ook als betere christenen zouden leven. Onafgebroken verkondigde Hij Christus als bron van vrede, liefde, rechtvaardigheid en levensgeluk;
Na het einde van de 1e wereldoorlog, gedurende de twintiger jaren, nam hij als bewogen parochieherder feilloos waar dat het christelijk leven verslapte en de secularisatie begon (dat gebeurde niet eerst in de zestiger jaren!). In de grote steden was al een snelle geloofsafval gaande. Hij vreesde dat door het toenemend hedonisme (genotzucht) een generatie zou opgroeien, “die regelrecht in de armen van het moderne heidendom gedreven werd.” Wij kunnen nu waarnemen hoe terecht zijn vrees was. Hij was er vast van overtuigd dat de navolging van Christus zonder zelfverloochening, wilskracht en soberheid niet mogelijk was. Maar daar ontbrak het nu juist aan, zo observeerde hij.
In dit opzicht heeft Alphons Ariëns nog steeds een boodschap voor onze tijd, die wordt gekenmerkt door secularisatie, oppervlakkigheid en een ongebreideld najagen van genot en vrije tijd, dat essentiële menselijke en christelijke waarden heeft verdrongen en het veel mensen belet om echt volwassen te worden. Zo is na het oplossen van de sociale kwestie van de 19e eeuw een nieuw sociaal probleem gerezen. Het uitgangspunt van Alphons Ariëns dat mensen het leven als goede mensen en christenen (her)ontdekken als zij Christus beter leren kennen, blijft waar.
Het leven van Alphons Ariëns en de vrucht van zijn inzet behelzen voor
ons als katholieke christenen een oproep. Het betreft de oproep om binnen de
verkondiging de Blijde Boodschap niet te verwateren in de hoop nog zoveel mogelijk
mensen binnenboord te houden. Want dat helpt toch niet, zoals in de afgelopen
halve eeuw wel gebleken is. Het gaat om de oproep om Christus te blijven verkondigen
als de mensenzoon en de Zoon van God, als de enige en blijvende bron van vrede,
liefde, rechtvaardigheid en levensgeluk. De woorden van Jezus blijven altijd
actueel: wie zijn leven, dat wil zeggen zijn leven voor zover het afwijkt van
Gods bedoelingen omwille van Christus loslaat, vindt in Hem het ware leven (vgl.
Mat 16,25). Amen.