Alfons Ariëns, in deze inleiding genoemd ontwerper en uitvoerder van een doctrina socialis -een sociale leer - overleed op 7 augustus 1928, nu 80 jaar geleden. Dat is zoveel als de duur van een mensenleven. Of anders gezegd: dat de generaties die hem gekend of van hem gehoord hebben, inmiddels geheel of althans voor een groot deel zijn overleden. Vandaar dan ook de legitieme vraag of de generatie van 2008 - van de kinderen en kleinkinderen - weten wie hij was en wat hij was. De mededelingen van Ariëns zelf, gebeiteld op zijn grafsteen, getuigen van een uiterste soberheid: Ariëns priester. Maar hiermee is van de gestorven Ariëns niet alles gezegd.
Een paar maanden vóór zijn dood heeft hij in het Sobriëtas nummer, dat het vierde nationaal Congres van Sobriëtas van juli-augustus 1928 in Nijmegen voorbereidde gezegd wat hij meende te moeten zeggen. Wij zouden dat zijn testament willen noemen:
“Tempora mutantur et nos mutamur cum illis. De tijden veranderen en wij veranderen met hen. De tijden zijn anders dan vroeger en de jeugd is anders dan vroeger en de jeugd is anders dan vroeger. Als wij de jeugd willen winnen moeten wij zelf anders worden. Zo heeft hij midden in de maalstroom van de tijden, voortdurend oproeiend tegen de geldende stromingen en conventies van zijn tijd, mensen en toestanden willen hervormen.”
De stem van tijdgenoten
Wat hebben tijdgenoten - zeer summier genomen - ons met een zeker gezag over Ariëns meegedeeld? Wij zouden dan het woord willen geven aan kardinaal de Jong, die de inleiding verzorgde op de verkorte biografie van Gerard Brom over Ariëns:
“Wie - aldus de kardinaal -de geschiedenis van Katholiek Nederland omtrent de laatste eeuwwisseling wil schrijven zal onmogelijk voorbij kunnen gaan aan de figuur van pastoor Ariëns. Allereerst om die reden, dat hij hem overal zal ontmoeten, omdat hij overal de hand in had. Met recht kan men zich afvragen of juist onze dagen in dit opzicht niet weer om een Ariëns vragen.”
Zo lijkt het ook van groot gewicht te zijn vanuit welke gezichtshoek de historicus L. Rogier in zijn ‘In vrijheid herboren’ de kapelaan van de St. Jacobus parochie heeft belicht.
“Ariëns zag - aldus Rogier - dat het geloof der arbeiders gevaar liep, maar dit heeft hem niet het meest aangegrepen. Ook zonder deze priesterlijke angst zou zijn ganse wezen hebben geprotesteerd, omdat hij onrecht zag plegen. Ariëns heeft het sociaal probleem zelfstandig gevonden. Hij is de eerste katholiek geweest die het in zijn eigen aard en karakter ontdekte en hij drong er binnen een jaar dieper in door dan anderen in een heel mensenleven.”
Drie grote pauselijke encyclieken
Onze beschouwingen over een eigen sociale leer van Ariëns kunnen aan helderheid winnen wanneer zij gesitueerd worden binnen de sociaal-historische en kerkelijke context van zijn tijd en gerelateerd worden aan de drie opeenvolgende pontificaten van Leo XIII, Pius X en Benedictus XV.
Wij moeten dan teruggaan naar 15 mei 1891, de verschijningsdatum van de befaamde encycliek van Leo XlII: Rerum Novarum. Die begint met de veelzeggende woorden: “De dorst naar vernieuwingen”. Deze encycliek luidt het definitieve begin in van een katholieke leer. Zij handelt over de toestand van de werklieden en zijn onverdiende ellende. Sindsdien zijn er voor en na de tweede wereldoorlog een aantal sociaal-missionaire encyclieken verschenen die de beginselen van Rerum Novarum verder, naargelang de eigentijdse omstandigheden hebben uitgebouwd.
Het eeuwfeest van Rerum Novarum uit 1891 werd uitvoerig herdacht in de encycliek Centesimus Annus van paus Johannes Paulus II op 15 mei 1991. Zo kan men zeggen dat er aan de vormgeving van deze encycliek een eeuw lang is gewerkt. Zij is in zeker opzicht een overkoepelend sluitstuk van een sociale leer die als centraal thema heeft het alles omvattend maatschappelijk vraagstuk. Beide encyclieken zijn met elkaar verbonden door een sociaal historische spanningsboog die men kan omschrijven als de dorst naar vernieuwingen. Daarmee beginnen de eerste regels van Rerum Novarum. Deze dorst naar vernieuwingen en hervormingen heeft Ariëns een levenlang bezield. In 1921 zal hij betogen dat er ‘een dorst naar katholieke waarheid is’.
Al vóór het verschijnen van Rerum Novarum begint hij in 1890 zijn trektochten langs diverse steden van ons land om zijn toehoorders te informeren omtrent de alomvattendheid van het maatschappelijk vraagstuk. Hij kondigde zich zo aan:
“Gedachtig het oude spreekwoord ‘de ventis nauta, de bobus arator’: de schipper spreekt van stormen, de landman van zijn ossen, meende ik noch op letterkundig noch op staatkundig gebied eene greep te moeten doen, vond ik mij vanzelf het maatschappelijke, het sociale terrein aangewezen. Ik meende trouwens, dat om belangstelling te verdienen ik beginnen moest met belangwekkend te zijn en waar kan ik dat eerder hopen dan bij de behandeling van het maatschappelijk vraagstuk: een vraagstuk zooveel besproken en vaak nog zo weinig gekend; een vraagstuk waarbij de hoogste belangen der menschheid: gezondheid, welstand, godsdienst en zedelijkheid betrokken zijn, een vraagstuk zoo brandend dat het de ernstige behartiging vordert van hen die het wel meenen, zal het niet opgelost worden, die het slecht meenen -in vuur en bloed.”
En zo loopt hij ver vooruit op de encycliek Octogesima adveniens van 15 Mei 1971, waarin de tachtigste verjaardag van Rerum Novarum herdacht werd.
“Het kernpunt van dit ogenblik dat ieder zich levendig bewust moet maken, is dat het sociale vraagstuk vóór alles door zijn wereldomvattende dimensie wordt gekenmerkt.” Ariëns betoogt dan: “eerst wil ik U aantonen den toestand der maatschappij gelijk deze op het ogenblik is. Daarna wil ik u de weg aanduiden, dien tot hare verbetering op moet. Deze weg wordt gebaand door maatschappelijke gerechtigheid, christelijk geloof, christelijke liefde.”
Sociaal, pastoraal en missionair programma
Met de uitwerking van dit vooropgezet program is hij heel zijn leven in een zekere chronologische volgorde bezig geweest. Dat begint in 1886 en eindigt in 1928. Het is een uitgedokterd programma, opgesplitst in drie maal 14 jaar. In welk perspectief kunnen wij dat bezien? Wat wil dat zeggen? In dit verband valt te verwijzen naar de Spaanse filosoof José Ortega Y Gasset die in Man and crisis (En tomo a Galileo) vijftien jaren omschrijft als de duur van een periode waarin de wereld van aanzien verandert.
De eerste vijftien jaren 1886 -1901 vallen samen met het pontificaat van Leo XIII, die in zijn encycliek Rerum Novarum opriep tot een georganiseerde arbeidersbeweging, meer algemeen gezegd tot maatschappelijke bewustwording van de vierde stand.
Het grote middenstuk (1901-1914) viel samen met het pontificaat van Pius X die als vervolg op de maatschappelijke vernieuwingen van Leo XIII streefde naar bezinning op en verdieping van het godsdienstig leven: omnia restaurare in Christo: alles herstellen in Christus. Een verdiept geloofsleven wil zich naar buiten uiten in een grote missionaire bewogenheid, als een vrucht, zoals Ariëns het ziet, van Christelijke liefde.
De definitieve inzet voor een massale missionaire bewustwording en missieactiviteiten op grote schaal krijgt vaste vormen onder het pontificaat van de missiepaus Benedictus XV (1914 -1922) en zet zich voort onder Pius XI (1922-1939). In de vaderlandse kerkgeschiedenis wordt deze periode het Grote Missie-uur genoemd. Deze derde episode van zijn priesterleven 1914-1928 draagt de signatuur van dit pontificaat, zoals dat uitgesproken werd in de missie-encycliek van paus Benedictus XV Maximum illud. Ariëns werd volop wat hij altijd al wilde zijn: geloofsverkondiger. Hij was er van overtuigd dat een verdiepte godsdienstigheid als vanzelf naar buiten moest komen in een verhoogde missionaire bewogenheid. ‘Dum Christus annuntietur’ (Hoe dan ook, Christus wordt verkondigd - naar: Filippenzen 1, 18) was zijn lijfspreuk.
Het maatschappelijk vraagstuk theologisch bezien
De theologische triptiek van het maatschappelijk vraagstuk wordt bij Ariëns ingeleid door de thematiek van de maatschappelijke gerechtigheid. Dat hield concreet in de opbouw van een katholieke arbeidersbeweging en de mannelijke en vrouwelijke takken van een katholieke drankbestrijding.
Ariëns bewoog zich in een bonte verscheidenheid van opkomende stromingen, van een zeer heterogene kluwen met weinig rijken en zeer veel armen, van arbeiders en ondernemers, van socialisten en liberalen,van protestanten en katholieken, van kerkelijken en buitenkerkelijken. De katholieken vormden - ook waar zij numeriek in de meerderheid waren - in sociaal, economisch en intellectueel opzicht een minderheid die weinig aanzien genoot. Het betrof hier een gerechtigheid in maatschappelijk opzicht, zich afspelend in een gemeenschappelijke context, in de wereld van de ‘mitmenschliche’ verbanden, op grond van een natuurlijke sociabiliteit. In zo'n situatie is het weinig relevant of men werkgever of werknemer, christen of niet christen is; kortom het gaat om realisering van nieuwe maatschappelijke toestanden, die allen aangaan onafhankelijk van rang of stand, onafhankelijk van levens of wereldbeschouwing. Midden in het vuur van zijn betoog lanceerde hij voor de ogen van zijn toehoorders de begrippen ‘vrede en gerechtigheid’ die later gemeengoed zouden worden in de theologische publicaties van het tweede Vaticaanse concilie:1962-1965:
“En onze vereenigingen en gezellen en arbeiders, waarin de besten en de knapsten der lagere klassende katholieken daarin te vervullen (?) aan de oppervlakte komen, mannen wier blik door de haat niet beneveld is, zullen ons in staat stellen om met kennis van zaken te handelen, met behoedzaam voorwaarts te schrijden en zoo lijn voor lijn te trekken van een gebouw waarin alle standen van de maatschappij in vrede en gerechtigheid kunnen wonen.”
Op 23 Juni 1895 heeft Ariëns een toespraak gehouden voor de katholieken van Amersfoort De tijdgeest en de plichten der katholieken. Hij begon zijn uiteenzetting met deze woorden:
“Ik ben hier niet gekomen om diepzinnige bespiegelingen voor U te houden. Het zou onwellevend zijn U op een warme zomeravond daarmee te plagen. Maar ik kom U in goede trouw een en ander meedelen van hetgeen ik zoal over de wereld en over hetgeen wij katholieken te doen hebben, ben gaan denken.....Wat is de tijdgeest en welke plichten hebben wij als katholieken heden te vervullen? De tijden en de mensen veranderen voortdurend. Dat is altijd zo geweest, maar nooit in de mate als de laatste twintig jaar. Tempora mutantur et nos mutamur cum illis. De tijden veranderen en wij veranderen met hen mee.”
Hij hamert er op dat wij eerst en vooral onze tijd en de tijdgeest dienen te begrijpen. Dat geldt niet alleen voor de geestelijken maar in niet mindere mate voor de leken en wel voor de leken van elken rang en stand. Hij zegt het met deze woorden:
“Welnu Dames en Heren, als wij als goede katholieken vruchtbaar willen werken, voor de nuchtere negentiende eeuw en onze tijdgenoten, laten wij zorgen onzen tijd en zijn strevingen te begrijpen. Als men een koningsadelaar is, gelijk Leo XIII, dan peilt men alle diepten, dan voelt men instinctmatig den polslag van de eeuw.”
Dit instinctmatig voelen van die polsslag moet men zien als een disciplinair onderdeel in de doctrina socialis van Dr. Ariëns. Deze trefwoorden uit de Amersfoortse rede wekken inhoudelijke associaties op met de signa temporum - de tekenen der tijden - waarop Johannes XXIII gewezen heeft in Humanae Salutis, de encycliek waarin hij het tweede Vaticaanse Concilie in 1963 aankondigde. Deze tekenen, als een signaal om alert te zijn op de nieuwe dingen in de hedendaagse samenleving en de binnenwereldlijke verbanden hebben een evangelische oorsprong. Zowel het evangelie van Matheus 16, 1-4 als Paulus in zijn brief aan de kerk van Tessalonika houden de gelovigen voor de tekenen der tijden te onderzoeken en te interpreteren. Het gaat hier over gebeurtenissen en verschijnselen die zich uitstrekken over het hele gebied van het openbare leven. In de encycliek Pacem in Terris van 14 april 1963 wordt een opsomming gegeven van de tekeningen des tijds als even zovele manifestaties van evangelische waarden: socialisering, verheffing van de werkende klassen, intrede van de vrouw in het openbare leven, emancipatie van de gekoloniseerde volkeren.
Wat kan er nu op tegen zijn om te stellen dat het verstaan van de tijden, het aanvoelen van de polslag van eeuw en de signa temporum van Johannes XXIII door hun samendenkende eensgezindheid te beschouwen zijn als componenten die naar elkaar verwijzen? Of anders gezegd: de geschriften en werken van Ariëns preluderen op een of andere wijze op de grote sociale encyclieken van vóór en na de tweede wereldoorlog. Of zoals al eerder is gesuggereerd: Op de spanningsboog die Rerum Novarum met Centesimus annus verbindt, kan men Ariëns overal vinden.
Voorbij aan het onderscheid in standen
De complexiteit van het maatschappelijk vraagstuk heeft hij onder woorden gebracht in zijn toespraak over De organisatie van katholieke arbeiders gehouden voor de R. K. Volksbond te Nijmegen op 13 januari 1895:
“De Bond zal meer dan voor de politieke orde werken voor de maatschappelijke orde, welke daarin bestaat dat de eene stand den andere niet overheersche, dat de wereld niet ga gelijken op een samenstelling van twee klassen; zeer rijken en zeer armen, maar dat er integendeel tal van klassen komen, welke zonder overdaad allen hun aandeel hebben aan de maaltijd des levens. Die orde bestaat niet, ook niet in Uw vaderland, zooals U allen bekend is. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze vaak niet.”
Bovenstaande toespraak dateert nog uit de Frühgeschichte van Ariëns activiteiten. De volgende teksten werden 25 jaar later uitgesproken in zijn conferentie Verdieping van het godsdienstig leven gehouden voor de katholieke vrouwenbond op 20 december 1920. In dat tijdsbestek van een kwart eeuw is de wereld van aanzien grondig veranderd. Het podium is wel hetzelfde gebleven, maar de lokale omstandigheden, de coulissen de aankleding en zelfs de spelers op het toneel, kortom de totale context hebben een diepgaande metamorfose (verandering) ondergaan. Stonden in 1895 de arbeiders-slachtoffers van een maatschappelijk onrecht op het toneel, nu zijn het de vrouwen en wel vrouwen uit de gegoede stand. Zijn dialoog met de dames heeft dan uiteindelijk een theologische diepgang aangenomen. Hij instrueerde hen omtrent de noodzakelijke condities, die het sociale werk vooronderstellen. Zijn instructies werden ingeleid door een diplomatieke vraag die een beroep deed op enige zelfkritiek:
“Maken wij soms niet te hoge en dikke scheidsmuren van dat kleine beetje meer kennis meer beschaving, fortuin en zgn. hogere geboorte, dat wij van God gekregen hebben? Als U nuttig sociaal werk wil verrichten, doordringt U dan van wat ik zou willen noemen: de leer van de christelijke gelijkheid. Sobriëtas is daarom zo sterk geworden. Legt U toe naar het woord van de H. Vincentius op die nederige eenvoudige manier van handelen en spreken waarvan de Zaligmaker het voorbeeld heeft gegeven. De wereld is daar uiterst gevoelig voor. Sociaal werk met een zekere hooghartigheid verricht, is met onvruchtbaarheid geslagen. En past niet het kader van wie echt godsdienstig wil leven, dus Christus navolgen.”
Arëns wilde een bepaalde discipline in het praktiseren van een sociale theologie scherp accentueren; n.l. het zich distantiëren van klerikale en intellectuele hooghartigheid
Het derde paneel van het maatschappelijk vraagstuk wordt ingenomen door de christelijke liefde dat samenvalt met het pontificaat van Benedictus XV. De laatste jaren 1914-1928 concentreren zich op een massale missionaire bewustwording van de Nederlandse katholieken. De negende katholiekendag, gehouden te Nijmegen op 23 september 1917 en geheel gewijd aan de missie, was onderverdeeld in vier secties: de priesters en de missieactie, de leken en de missie actie, de arbeidersstand en de missieactie, de vrouwen en de missieactie. In 1921 richtte hij samen met zijn opvolger Dr. van Koeverden het Geert Groote Genootschap op, dat de verspreiding van katholieke lectuur tot doel had. In de statuten staat: de katholieke waarheid op elk terrein door allen te doen kennen en beminnen. Deze drang naar katholieke waarheid is bij tal van niet katholieken aanwezig. Er is dus volgens Ariëns dorst naar katholieke waarheid.
In 1922, het jaar van zijn veertigjarig priesterfeest, wilde hij het feestgeschenk zesduizend gulden bestemmen voor een leerstoel missiologie aan de nog op te richten universiteit in Nijmegen. Dr. van Koeverden schreef in zijn brochure Ariëns de Prediker
“Wij zien hem nu werken aan de Missieactie, aan de Unio Apostolica en eindelijk aan G.G.G. ‘Alles voor allen’, hoe dikwijls heeft hij dat niet gezegd in onze vergaderingen? Alle gebied van de Katholieke Waarheid voor groot en klein, voor geletterd en ongeletterd, voor katholiek en niet katholiek. En dacht hij niet van den aanvang af aan samenwerking met buitenlandse organisaties?”
Mgr. Jansen, die in juni 1934 het standbeeld van Ariëns in Enschede onthulde, betoogde:
“Wij staan nog te dicht bij hem.... Maar moge hij onverwoestbaar blijven voortleven in de harten van de jongeren en van hunne kinderen en kindskinderen.”
Zo willen wij graag terugkeren naar het begin van onze Ariëns-overweging, naar de woorden van Kardinaal de Jong: “Met recht kan men zich afvragen of juist onze dagen in dit opzicht niet meer om een Ariëns vragen. Naar Ariëns-priesters en Ariëns-gemeenschappen van mannen en vrouwen van ‘alle rang en stand’”.
Wij spreken daarbij de hoop uit dat Benedictus XVI hem spoedig zal zalig prijzen.