Beste mensen, goedemorgen

Fijn dat u met zo velen bent blijven zitten om naar mijn inleiding te luisteren, die zal gaan rond de betekenis van Alphons Ariëns voor onze tijd. Ik zal me even voorstellen. Ik ben Hub Crijns, ik ben theoloog en pastoraal werker voor het aartsbisdom Utrecht en voor mijn betaalde werk ben ik directeur van het landelijk bureau DISK. Dat is het oecumenisch bureau voor het arbeidspastoraat en u begrijpt dat wij in Alphons Ariëns onze eerste voorganger hebben. Ik ben tevens vice-voorzitter van het Ariëns-Comité.

We kennen dit jaar een kroonjaar in de herdenkingen van Ariëns: hij is 80 jaar geleden overleden en deze zomer is het 100 jaar geleden dat hij benoemd is als pastoor in Maarssen. Daarom hebben we dit jaar meerdere activiteiten in de parochie. Mijn inleiding is de eerste. Op zondag 15 juni spreekt drs. Gerrit Deems. Hij is na zijn pensionering actief als filosofisch onderzoeker met een promotie rond de missionair-theologische sociale leer van Alphons Ariëns. Op dinsdagavond 8 juli er een kennismakingsavond in de pastorie over leven en werken van Alphons Ariëns, met aandacht voor de ondersteuning die Ariëns gaf aan de emancipatie van de katholieke vrouwenbeweging. De lezing wordt gehouden door drs. Nelleke Serrarens Wijngaards. Zij is jarenlang betrokken bij plaatselijke en landelijke diaconale projecten en zij is docent Sociale leer van de kerk aan de diakenopleiding van het aartsbisdom Utrecht. Op zondag 31 augustus is de Ariënsdag en de feestelijke viering met Mgr. W. Eijk, aartsbisschop van Utrecht en voorzitter van het Ariëns-Comité.

 

Het Ariëns-Comité:

Dat Comité schrijft al een geschiedenis sinds 1935 en is bezig met activiteiten rond de zalig- en heiligverklaring van Alphons Ariëns. Het doel van de Stichting het Ariëns-Comité is“de godsdienstige en maatschappelijke vorming van het katholieke volksdeel op een eigentijdse wijze te bevorderen door belangstelling te wekken voor het leven en de werken van wijlen de priester Alphons Ariëns, als een bij uitstek voor onze tijd in godsdienstig en sociaal opzicht leidinggevende figuur”.

De activiteiten zijn de volgende:

Het dossier dat het Ariëns-Comité inmiddels rond de priester Alphons Ariëns heeft verzameld, is indrukwekkend dik. Het leeuwendeel bevindt zich in het Katholiek Documentatie Centrum van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het Ariëns-Comité houdt zich altijd aanbevolen voor verdere aanvullingen, onder meer voor de voortgaande onderbouwing (relatio) van de zaligverklaring. Wie iets toe te voegen heeft, kan zich melden bij het secretariaat.

We hebben vorig jaar het schriftelijk proces rond de zaligverklaring van Alphons Ariëns volledig kunnen afronden. Zowel de beschrijving van zijn gewone biografie als die van zijn spirituele of devotionele is volledig gedocumenteerd. We moesten ook aantonen dat er anno nu nog een levendige devotie rond Ariëns aanwezig is, en dat hebben we met onder meer het daartoe gehouden Tribunaal van het aartsbisdom kunnen doen. Alle stukken zijn naar Rome gebracht. Daar aangekomen, en daar is vastgesteld welke vertaling bij welk document hoort. We wachten nu op verdere stappen vanuit Rome.

Een volgend stap is natuurlijk een wonder van Alphons Ariëns zelf en daar bidden we voor. Getuige ook het bidprentje dat wij over Alphons Ariëns verspreid hebben. Mocht u weet hebben van getuigenissen hieromtrent, dan kunt u dat aan mij doorgeven.

Alphons Ariëns in het kort

Alphonse Marie Auguste Joseph is geboren op 26 april 1860 in de Hamburgerstraat in Utrecht. Vader mr Willem Ariëns is advocaat en voorzitter van de Vincentius Vereniging en tevens voorzitter van het Armbestuur in Utrecht. Moeder is Lisette Ariëns-Povel uit een deftige Amsterdamse zakenfamilie. Fons is de vijfde van 8 kinderen. De huisstijl is streng, sober, gelovig en sociaal bewogen. Ariëns zal die stijl zijn hele leven trouw blijven.

In 1870 gaat hij op 10-jarige leeftijd naar de kostschool in Rolduc. We zouden nu zeggen dat hij een superintelligent kind is. Hij studeert af op het gymnasium en gaat als 16-jarige terug naar Rolduc voor de studie filosofie.

We kunnen het leven van Alphons Ariëns in vier grote perioden indelen:

De lerende Ariëns. Dat is zijn tijd in Rolduc, in Rijsenburg, priesteropleiding van het aartsbisdom Utrecht en in Rome, de plaats van zijn promotie in de theologie. Ariëns is een zeer intelligente student en hij is tijdens zijn studies zeer sociaal betrokken. Hij hoort en ziet veel van de sociale en economische omstandigheden van de mensen in Italië en maakt veel reizen door dat land. Iedereen verwacht dat hij professor zal worden aan de priesteropleiding van het bisdom.

De sociale Ariëns in zijn tijd als arbeidspastor. Dat is zijn tijd in Enschede. Als verrassing voor iedereen, maar niet voor Ariëns en zijn bisschop, wordt hij benoemd als kapelaan in Enschede in Twente, dat inmiddels het centrum is geworden van de nieuwe textielindustrie. Hij ontwikkelt zich daar tot de eerste arbeidspastoor, oprichter van de katholieke arbeidersbeweging en ik kom daar later op terug.

De spirituele en sobere Ariëns, vooral in Steenderen en Maarssen. Dit is de tijd dat hij zich ontwikkelt als inspirator van vooral de matigheidsbeweging Sobriëtas, maar ook van allerlei andere katholieke bewegingen, zoals die van boeren, vrouwen, journalisten, priesters, jongeren, etc.

De missionaire Ariëns. In deze jaren ijvert Ariëns voor de inhoudelijke verdieping van de katholieken. Hij is o.a. mede oprichter van het Geert Grote Instituut en stichter van de leerstoel rond theologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, van waaruit de missionaire leerstoel is voortgekomen.

Hij is 66 jaar, als hij op 19 november 1926 aankomt in het moederhuis van de Sint Jozefscongregatie in Amersfoort: te vroeg oud en ziek. In 1927 kent hij nog een opleving en maakt een reis door Vlaanderen. Juli 1928 begint zijn sterfbed door de bediening met het Sacrament der Zieken door biechtvader pater van Nimwegen. Eén van zijn laatste woorden luidt: “wat is het toch een getob, eerst om in de wereld te komen en dan om eruit te gaan”. Hij ligt een week in coma en sterft op 7 augustus 1928 rond half zes in de namiddag op 68-jarige leeftijd. Hij is 46 jaar priester. Hij is afgeleefd en afgezwoegd. Ariëns is begraven op kerkhof Beresteyn. Op zijn grafsteen staat: Ariëns, priester.

Het Enschede in 1896 Ik neem u eerst mee naar het Enschede van 1896. Ariëns is dan tien jaar kapelaan in de Sint Jacobus-parochie van Enschede. Door een snelle industrialisering komen er veel bedrijven, die met nieuwe machines, aangedreven door stoomkracht en elektriciteit, massa productie gaan maken. De nieuwe bedrijven trekken ook veel mensen aan, die er werk zoeken. In de tijd van Ariëns verdubbelt het aantal inwoners van Enschede van 5000 naar 10.000.

Je zou denken dat ten gevolge van deze bedrijvigheid het levens­peil van de mensen zou stijgen. Dit is niet waar. Tussen 1890 en 1900 dalen de lonen zelfs, terwijl de prijzen tamelijk stabiel blijven. Na 1900 stijgen de lonen weer. In Twente kunnen de arbeiders in Enschede het meest verdienen: in 1895 is dat voor de ongeschoolde arbeiders 6,00 gulden, voor de geschoolde arbeiders 8,75 en voor de vakmensen 12,50 per week. In Hengelo wordt dat respectievelijk 4,25, 7,50 en 10,50 gulden. In Almelo ver­dient men 4,00 of 6,70 en 10,50 gulden en in Olden­zaal 4,28 of 6,50 en 10,50 gulden. Ruim 40% van de arbeiders verdient het laagste loon. Jongvolwassenen en vrouwen verdienen gemiddeld 50% van het loon, dat een volwassen ongeschoolde man krijgt en kinderen verdienen 25%. In deze 20 jaar kennen Nederland en Twente heel veel vrouwen- en kinderar­beid. De gemiddelde duur van de arbeidsdag is 10-12 uur.

Als mensen zo weinig verdienen, dan ligt het gemiddelde levenspeil ook niet zo hoog. De volgende prijzen gelden rond 1900. Een brood kost 0,05 gulden, evenals een liter melk. Melk is overigens schaars. Een blok turf kost ook 5 cent. Kolen kosten 1,00 gulden per week. Een kilo aardappelen kost een kwartje. Wortels of een suikergoed bij de bakker kosten 1 cent per stuk. Veel arbeiders hebben samen of alleen een stuk grond, waar ze voornamelijk aardappelen en bonen verbouwen. Deze mensen hebben meestal ook konijnen en kippen voor het vlees en de eieren. Het lidmaatschap van de vakbond is gelijk aan de prijs van een brood: 0,05 gulden Als het gezinsinkomen meer dan 10 gulden is, acht kapelaan Ariëns het mogelijk dat er gespaard kan worden: een stuiver of een dubbeltje per week. Voor de onderlinge ziekenkas wordt per week een bijdrage van 0,30 gulden gevraagd.

Als iemand ergens in de kost is, bedraagt het kostgeld 50% van het loon, dus tussen 3,00 of 4,00 gulden per week. Voor vrouwen en kinderen gelden dan weer de halve of kwart prijzen. Mensen eten meestal brood met water en soms koffie. Melk is schaars en wordt vooral gekocht voor de kleine kinderen. De warme maaltijd bestaat meestal uit aardappelen en bonen, soms met weinig groenten. Een keer per maand en bij de beter verdienende arbeiders een keer per week is er vlees en jus bij. De armengelden of armenbedeling bedraagt in deze periode voor een gezin met tussen de 6 en 8 personen tussen de 1,00 en 2,50 gulden per week.

Vier aandachtsvelden Kapelaan Ariëns heeft in zijn tien jaar in Enschede deze dagelijkse wereld tegemoet getreden met heel veel werk. Hij sjouwt de hele dag. Men ziet de kapelaan op huisbezoek, op straat pratend met mensen, op een steiger, in een fabriekskantoor, op een vergadering, in de kerk en soms in de pastorie en altijd dravend door de straten. Ariëns heeft het – zoals wij dat nu noemen – ‘druk, druk, druk’. In de avonduren zijn er ook altijd vergaderingen. En hij sluit de dag met het lezen van krant na krant, tijdschrift na brochure in een tempo om van te rillen. Hij schrijft ook veel, altijd onder tijdsdruk, ‘omdat hij dan met meest creatief is’. Bij dat schrijven bladert hij in zijn studieboeken. Ariëns kunnen we herkennen, doordat hij in zijn leven altijd met vierkanten werkte. Hij vond dat een katholiek vanuit zijn geloof zulke vierkanten moest bewerken en invullen. Met die drukke pastorale en sociale praktijk geeft de kapelaan antwoorden op vier aandachtsvelden, die hij tot de kern van zijn werk rekende.

De werkwereld

De wereld van de nieuwe fabrieken is miserabel. Lange werkdagen van 10-12 uur leveren weinig loon op. Vrouwen- en kinderarbeid is gangbaar. De arbeiders moeten “opzitten, pootjes geven en dood liggen’, zoals Ariëns het eens uitdrukt.

Rond de werkwereld leert de kapelaan dankzij de grote staking van 1890, dat zelforganisatie van eerst de mannenarbeiders, dan de jongeren en later de vrouwen het beste antwoord is.

De leefwereld van het gezin

De woonomstandigheden zijn ellendig. De gemiddelde huur van een kamer of arbeiderswoning schommelt tussen 1,50 en 1,90 gulden per week. Betere woningen kosten tussen 1,90 en 2,22 gulden per week aan huur. In zo'n huis heeft zo'n gezin meestal wel een tafel en twee stoelen staan, keukengerei, een kachel en een droogrek of touwen voor de was. In een hoek liggen de strozak­ken met dekens, die 's avonds over de hele kamer worden uitge­strekt. De mensen hebben de kleding aan, ook 's nachts, terwijl reservekle­ding in de was is (een karwei van gemiddeld drie dagen) of op het was rek te drogen hangt. De betere arbeiders hebben een bedstee - of twee - met matrassen en dekens. Lakens zijn een luxe. De kachel wordt gestookt met turfblokken, turfmot (goedkopere turfstukjes) en hout­spaan­ders. De kinderen zorgen voor het sprok­kelhout. De meeste woningen hebben geen water uit de kraan, riolering of toilet. Men gebruikt wasketels, emmers om water mee te halen en in te bewaren en collectieve toiletten. Overal zwerft vuil. Overal stinkt het enorm. Overal hangt rook uit de kachels. Overal tref je ongedierte aan. Ziekten zijn snel opgedaan en nog sneller aan elkaar doorgegeven.

In arbeidersgezinnen drinkt men heel veel, zowel mannen als vrouwen. Enerzijds om het warm te krijgen, anderzijds om de ellende kwijt te raken. Een glas bier kost 6 cent en een glas jenever een dubbeltje. Kapelaan Ariëns noemt in 1892 dat hij een man kent, die per week 3,00 gulden van zijn loon opdrinkt en rekent voor dat dit in tien jaar een bedrag van 2.000 gulden is. Een kapitaal voor die tijd. Door dat drinken wordt het dagelijks leven nog zwaarder dan het al is.

De antwoorden van Ariëns betreffen het oprichten van verenigingen, waarin men belooft niet meer te drinken: het Kruisverbond voor mannen, De Mariaverenigingen voor vrouwen en de Annaverenigingen voor ouders. Later worden ze samengevoegd onder de naam Sobriëtas. Hij beijvert zich voor het bouwen van betere woningen en maakt na de stichting van de eerste woningcorporatie de oplevering van de eerste zes woningen mee

Verenigingswereld

Van Adolph Kolping in Duitsland en van Don Bosco in Turijn heeft Ariëns geleerd, dat een verenigingshuis heel belangrijk is. Waar thuis geen gemeenschapsleven kan ontstaan door de cirkel van werk, drank, honger en ziekte, geeft een verenigingshuis andere mogelijkheden. Je kan er warm worden, kletsen, koffie drinken, samen eten, leren lezen en schrijven, samen praten. Ariëns bevordert cultuur, muziek en ontspanning. Hij weet dat daardoor ook geloofsvorming en gemeenschappelijk kerkelijk leven mogelijk worden.

Al heel snel opent hij in Enschede een verenigingshuis aan de Oldenzaalsestraat.

Politieke wereld.

In de politieke wereld voelt Ariëns zich niet thuis. Hij weet er geen weg mee. Voor het normale politieke handelen is hij eigenlijk te eerlijk, te veel pastor, te weinig strateeg of manipulator. Soms is hij zelfs op het naïeve af en heeft hij een optimistisch vertrouwen in anderen. Hij laat de politiek over aan zijn mensen, zijn leiders in de bewegingen, zijn deken en zijn leermeester Schaepman. Hij zal in zijn leven merken, dat hij zowel in de vakbondspolitiek, in de kerkelijke, als in de wereldlijke politiek regelmatig het slachtoffer wordt van dat goede vertrouwen.

Zijn erfenis nu

De priester Ariëns heeft in zijn tijd het sociale gezicht van de rooms-katholieke kerk in Nederland in de praktijk uitgevonden. Hij is de eerste arbeidsapostel of arbeidspastoor. Hij is besmet met een organisatie-ziekte. Mensen moeten voor hun eigen belangen opkomen en dat doen zij het beste door eigen organisaties op te richten. Als mensen goed betaald krijgen, als de werkomstandigheden menswaardig zijn, als mensen goed wonen, als zij in hun vrije tijd aan menswaardige gemeenschapsactiviteiten kunnen deelnemen, als er geen zorgen zijn omtrent eten en de dag van morgen, als de drankduivel overwonnen is, dan zijn mensen ook in staat om volwassen gelovigen te zijn. Geloof is dan de binding van al die draden tussen mensen met het verbond van God en zijn geschiedenis. Door aan de mensengemeenschap te bouwen, bouwt Ariëns aan de kerkgemeenschap.

We kunnen de erfenis van Ariëns in de afgelopen honderd jaar aanwijzen in de opbloei van de katholieke arbeidersbeweging, de katholieke vrouwenbeweging, de katholieke werkende jeugdbeweging, de katholieke drankbestrijdingsbeweging, de katholieke volksjournalistiek, de katholieke woningbouwverenigingen, het katholieke verenigingsleven: van harmonie tot duivenclub. Ariëns staat aan het begin van de emancipatie van het katholieke volksdeel in Nederland en heeft met zijn organisatie-virus de weg gewezen.

Terwijl de machtigen van toen, ondernemende liberalen, kerkelijke leiders, middenstanders en boeren hem tegenwerkten; terwijl socialistische leiders hem zwart maakten, terwijl christenen de samenwerking noodgedwongen moesten laten glippen, is Ariëns zijn tijd ver vooruit. Hij houdt een pleidooi voor beweging van onderop, voor vrije meningsuiting, zonder inmenging van kerkelijke leiding, in samenwerking met anderen. Conflicten en stakingen mijdt hij niet, maar hij heeft een voorkeur voor overleggen en onderhandelen. We zien in die honderd jaar hoe al die katholieke organisaties op hun eigen manier die principes gaan uitwerken. En we zien een kerkelijke leiding worstelen met die emancipatie. Pas onder kardinaal Alfrink laat de kerkelijke leiding de emancipatiebewegingen zelfstandig hun weg gaan.

Ariëns heeft meer dan zijn deel gehad van de richtingenstrijd in de Nederlandse katholieke kerk van zijn tijd en hij heeft er geen oplossing voor gevonden. Net zo min als wij in onze tijd een oplossing hebben, het verzoenende werk van Kardinaal Alfrink ten spijt.

In een samenleving waar arbeiders, vrouwen en jongeren niet in tel zijn, waar ze bezien worden als de moeilijkste en minst waardevolle kostenpost in het productieproces, daar kiest Ariëns vanuit pastorale overwegingen voor het persoonlijke, het uniek menselijke en bindt dat aan vormen van gemeenschap. De kapelaan is trouw aan zijn mensen en gaat door dik en dun om iets te bereiken. Ook al kost hem dat zijn gezondheid of zijn kapitaal. Nu wij in onze tijd nadrukkelijk de massa-bewegingen, die Ariëns gesticht heeft, kwijt zijn, kunnen we van zijn manier van werken nog het nodige leren. Ariëns zoekt mensen op en luistert naar hetgeen het bezig houdt en wat hun verlangens zijn. En op grond van die verhalen en persoonlijke kennis brengt hij mensen, die hetzelfde willen bij elkaar. Hij voorziet hen van middelen en schuwt niet anderen op hun verantwoordelijkheid aan te spreken.

Wij hebben in onze tijd krachtige vormen van communicatie en netwerken. We beschikken over talloze middelen. De vraag is evenwel of wij elkaar nog wel zo persoonlijk kennen of onze middelen gezamenlijk willen inzetten. Het is een interessant denkmodel om de werkwijze van Ariëns te verbinden met de huidige mogelijkheden. Tot wat zal ons dit leiden op het terrein van werken, wonen, samenleven en politiek handelen?

Utrecht, 18 mei 2008