14 mei 2004
De spiritualiteit van een matigheidsbeweging
Dr. Jos Roemer is sinds 1998 hoofd van de afdeling Identiteit en Onderwijs van het Katholiek Onderwijsbureau West-Brabant/Zeeland te Bergen op Zoom en sinds 2001 verbonden aan het Instituut voor Katholiek Onderwijs te Nijmegen
In deze lezing wil ik dr. Alphons Ariëns belichten vanuit een vergelijking.Van
vergelijkingen en metaforen kan gezegd worden dat ze enerzijds altijd mank gaan
en anderzijds een aspect van de realiteit op een verrassende manier zichtbaar
weten te maken. De vergelijking waarmee ik het leven en werken van dr. Ariëns
wil belichten is er een uit de sportwereld, preciezer de estafetteloop.
In een estafetteloop proberen vier sporters, die samen een team vormen, een
bepaalde afstand zo snel mogelijk af te leggen. Hierbij is de wissel van cruciaal
belang. Indien het stokje niet goed wordt doorgegeven, gaan er belangrijke seconden
verloren en zal de wedstrijd niet gewonnen worden.
Welk aspect van het leven en werken van Ariëns wordt door deze vergelijking
zichtbaar gemaakt? Wellicht zijn het meerdere aspecten. Bijvoorbeeld de niet
aflatende inspanningen die Ariëns zich gedurende zijn leven heeft getroost
om zijn doel te bereiken. Maar zeker ook het stokje dat Ariëns vlak vóór
het bereiken van zijn eindstreep aanreikt aan de volgende loper. En niet in
de laatste plaats de opdracht die aan ons gesteld is om het stokje goed door
te geven aan de loper na ons.
Ik zet hiermee het perspectief van ons als tweede loper centraal. Wij hebben
een stokje ontvangen en moeten dat weldra goed overdragen. Deze lezing valt
daarom uiteen in drie etappes. In de eerste etappe zien we van een afstand hoe
Ariëns uit de startblokken schiet en op ons toe snelt. Zijn laatste meters
komen daarbij het best zichtbaar in beeld. In de tweede etappe zijn we zelf
actief. Aan het eind van onze etappe richten we ons op de loper die het van
ons moet overnemen. We zien een loper die nog fris is en vol ambitie.
Enkele inleidende opmerkingen wil ik nog wijden aan de titel van deze lezing,
die luidt: De spiritualiteit van een matigheidsbeweging. Voor deze titel is
bewust gekozen.
Op de eerste plaats geeft de term ‘beweging’ aan dat we onze aandacht
vooral op de dynamiek, de motivatie en de onderliggende waarden willen richten
die aan de orde waren ten tijde van het optreden van Ariëns en die ook
nu nog aan de orde zijn in hedendaagse contexten. De term ‘beweging’
staat naast de term ‘organisatie’. Bij het perspectief van de organisatie
gaat het om statuten, formele doelstellingen, besturen en aantallen leden. Hoewel
dit aspect evenzeer van belang is als het aspect van de beweging, zullen we
er niet apart op ingaan. Ariëns stond voor en maakte onderdeel uit van
een beweging en dit in veranderende organisatorische verbanden. Sobriëtas
was er één van.
Op de tweede plaats impliceert de term ‘matigheidsbeweging’ een
keuze. Alternatieve (en niet minder treffende) begrippen zouden zijn geweest
‘sociale rechtvaardigheidsbeweging’, ‘drankbestrijdingsbeweging’
of ‘arbeidersemancipatiebeweging’. Ik hoop duidelijk te maken dat
de oriëntatie op matigheid ons kan helpen de derde loper goed te lanceren.
Op de derde plaats betekent de keuze voor de term ‘spiritualiteit’
dat de belichting van het leven en werken van Ariëns niet een historische
is noch een ethische en evenmin een louter praktische maar een belichting, waarbij
transcendentie aan de orde is. De estafetteloop kost ons moeite maar tegelijk
mogen we erop vertrouwen dat we goed geëquipeerd zijn. God zij dank wordt
ons het voldoen aan onze opdracht geschonken. Het lijkt wel alsof het vanzelf
gaat.
Dr. Alphons Ariëns wordt geboren in 1860. Op 22-jarige leeftijd wordt
hij priester gewijd en op 25-jarige leeftijd promoveert hij in Rome summa cum
laude tot doctor in de theologie.
Op 26-jarige leeftijd aanvaardt hij een aanstelling als kapelaan in Enschede
en deze context brengt Ariëns in beweging. Een heel bijzondere beweging.
Een beweging die gekenmerkt kan worden door een combinatie van pastorale bewogenheid
en organisatorische en praktische ijver. Na drie jaar staat hij immers aan de
wieg van de eerste r.-k. arbeidersvereniging.
Ariëns leeft in een tijd van grote sociale onrust. In 1890 wordt in ons
land voor het eerst een 1-mei-viering gehouden.
Ariëns beweegt zich in deze omstandigheden met een duidelijk eigen kompas.
Hij laat zich voor geen enkel karretje spannen en blijft steeds voeling houden
met waar hij voor staat: pastorale bewogenheid om hen die in de marge van de
maatschappij verkeren vanuit een christelijk geïnspireerde naastenliefde.
In tien jaar tijd werkt Ariëns mee aan de inrichting van een Volkshuis
in Enschede, is hij mede-oprichter van tal van vakorganisaties en fungeert hij
als redacteur van het weekblad De Katholieke Werkman. En dit combineert hij
met, of beter: doet hij vanuit zijn functie als zielzorger.
Aan het eind van zijn tijd in Enschede vinden zijn activiteiten een toespitsing
in de zogenaamde drankweer. Na het bekende offer van de drie arbeiders, die
als gevolg van hun kontakten met Ariëns hem hun onthouding van alcohol
aanboden, volgden er de oprichting van het Kruisverbond en kort daarop van de
Mariaverenigingen.
En dan schrijft Gerard Brom in zijn Ariëns-biografie: ”Tegen het
jaar 1900 begon hij er zó afgetobd uit te zien, dat sommige portretten
een onherkenbaar dof gezicht vertonen”. In 1904, hij is dan nog maar 44
jaar, moet hij het ziekbed houden omdat hij overwerkt is en vanaf dan zal zijn
levensgeschiedenis ook een geschiedenis van lichamelijke verzwakking worden.
In 1909 openbaren zich hartkwalen en in 1916, hij zal dan nog 12 jaar te leven
hebben, stelt hij zijn laatste wilsbeschikking op. Ariëns voelt dat zijn
krachten wegvloeien.
“Met een hoog opslaande vlam ging zijn vuur uit”, schrijft Gerard Brom over de laatste jaren van Ariëns. Vanaf 1926 is het hem vergund om zijn laatste jaren door te brengen in de luwte van het klooster van de zusters van de Jozefcongregatie in Amersfoort. En precies in deze laatste periode strekt Ariëns zijn arm uit en reikt hij ons het stokje van de estafetteloop aan: de Nieuwe Richting.
In de loop der jaren was één van zijn geesteskinderen, Sobriëtas, uitgegroeid tot een organisatie van formaat. Deze organisatie beijverde zich voor onthouding van alcoholhoudende drank en kon bogen op successen. Het alcoholisme als volkskwaal leek overwonnen. Maar dit was allerminst een reden voor Ariëns tot tevredenheid. Inmiddels zag hij dat onmatigheid nieuwe vormen had aangenomen. Fel stelde hij het levenspatroon aan de kaak, dat zich te buiten gaat aan bioscoopbezoek, dansen, sporten en consumeren. Ariëns meende een moreel verval en geestelijke chaos bij met name de jeugd te zien. Gemakzucht en genotzucht gingen de boventoon voeren, zo vreesde hij. Hij wilde dan ook dat Sobriëtas de doelstellingen zou verbreden. De koers moest verlegd worden. Sobriëtas moest zich meer dan voorheen richten op levensvernieuwing in Franciscaanse geest. Hij zag tot zijn spijt dat Sobriëtas verloor aan spankracht en menskracht en riep op om als organisatie een Nieuwe Richting in te slaan. Het diende niet meer alleen om onthouding van alcohol te gaan, niet meer enkel de strijd tegen het alcoholmisbruik diende Sobriëtas te motiveren, maar het doel moest verbreed worden tot het streven naar levenseenvoud, ook in eigen kring. “Christelijke matigheid op één punt bestaat niet, evenmin als christelijke liefde”, zo stelde Ariëns.
Het lobbyen in de aanloop naar de algemene ledenvergadering van 1928 resulteerde in een voorstel om een kring op te richten onder naam Temperantia, waarbinnen bestaande organisaties zich in vrij verband zouden kunnen samenvoegen, ook organisaties die andere doelstellingen dan drankbestrijding nastreefden. Voor Ariëns was dit echter onvoldoende. Hij wilde dat Sobriëtas ook zelf zou vernieuwen. Oprichting van een kring onder de naam Temperantia was een kwestie van vorm, vernieuwing van Sobriëtas zelf was een kwestie van een nieuwe geest. Het bestuur van Sobriëtas pikt het initiatief niet op. Brom zegt hierover: “Temperantia viel dus en de Nieuwe Richting bleef als een desem doorwerken”.
Terug naar onze sportvergelijking. De allerlaatste stappen van Ariëns branden het meest op ons netvlies. Hij is moe, afgetobd. Maar nog even ambitieus als na het startschot. Tot aan de laatste meters gaat hij voor de overwinning van het team. Wat hij ons aanreikt (wat als desem blijft doorwerken) zou samengevat kunnen worden in zijn slagzin: “het kruis van Christus heeft twee armen, zelfverloochening en naastenliefde”. Deze beweging, deze dynamiek kunnen we aantreffen in het leven en werken van Ariëns.
Beweging vraagt om organisatie om in moeilijke omstandigheden gaande te blijven,
evenals een organisatie zonder beweging levenloos wordt. Sobriëtas heeft
als organisatie inmiddels haar honderdjarig bestaan kunnen vieren.
Twee initiatieven zijn gedurende de recente jaren ontstaan doordat Sobriëtas
hiervoor een stimulerende en/of initiërende rol heeft gespeeld. Beide hebben
betrekking op preventie van alcoholmisbruik bij de jeugd in onze huidige samenleving.
Het ene initiatief is bruikbaar in de wereld van het onderwijs, het andere in
de wereld van de opvoeding. Beide initiatieven wil ik in deze paragraaf kort
toelichten.
Hoe kun je leerlingen van het voortgezet onderwijs vormen met betrekking tot
hun alcoholgebruik? Wanneer we de beschikbare voorlichtingsmaterialen over alcoholgebruik
bezien, valt op dat daarin de nadruk wordt gelegd op gezondheid en op de kwantiteit
van het alcoholgebruik. “Denk aan je gezondheid en aan die van anderen!”,
luidt de vaak expliciete boodschap in voorlichtingsprojecten. Er zijn ook projecten
die zich meer neutraal (waardenvrij) opstellen, maar ook hierin wordt het verband
tussen alcoholgebruik en gezondheid nadrukkelijk gelegd.
In de negentiger jaren is er door een initiatief van Sobriëtas een alcoholvoorlichtingsproject
ontwikkeld, waarvoor de deugd van de matigheid model heeft gestaan. Gaat het
bij matigheid nu om zelfbeheersing of om het beschikken over de juiste verlangens?
Wie is er nu eigenlijk matig: hij die dolgraag een flink glas jenever zou willen
maar zich inhoudt, of hij die dat verlangen helemaal niet heeft? In de literatuur
worden voor beide opties pleidooien gehouden. In het Sobriëtas-project
wordt het standpunt ingenomen dat beide opties betekenisvol zijn. Juist doordat
iemand zijn verlangens beheerst, kan er in de loop der tijden een geordende
verlangenstructuur ontstaan. Het is een kwestie van verlangens-opvoeding. En
deze verlangens-opvoeding, deze beheersing zou kunnen geschieden op een vriendelijke,
liefdevolle wijze. Eigenlijk zoals de vader uit de bekende parabel zijn ‘verloren’
zoon tegemoet trad en tegelijk ook zijn ‘gehoorzame’ zoon erbij
wilde houden. De vader streefde harmonie na, zoals ook wij dat zouden kunnen.
Immers, zijn de personages uit die parabel niet ook in ieder van ons aan te
treffen?
In het Sobriëtas-project worden de leerlingen uitgenodigd om na te denken
over het verloop van hun leven. Met behulp van begrippen uit de adolescentiepsychologie
krijgen ze handvatten om hun leven te zien als een zoektocht naar hun eigen
identiteit. Ze worden als het ware observatoren van hun levensloop, die door
tal van factoren met zich meebrengt dat het er soms onstuimig aan kan toegaan.
“Er komt een golf alcohol op jullie af en de kans is groot dat je een
paar keer omver gaat.” De beelden uit de parabel kunnen in deze context
voor de jongeren betekenis krijgen: zo liefdevol als die vader met zijn verloren
zoon omging, zo zou ik ook naar mijn eigen levensloop kunnen kijken. Matigheid
komt op deze wijze in beeld als een wijze van in het leven staan, waar je je
voor moet openstellen en die je op een gegeven moment geschonken kan worden.
Uit een onderzoek naar de effecten van deze wijze van voorlichten (die zes lessen
omvatte) bleek dat er verrassende resultaten werden geboekt op de korte termijn.
De leerlingen hielden er minder alcoholvriendelijke opvattingen op na dan de
leerlingen uit een vergelijkingsgroep, ze beschikten over meer feitenkennis
dan de leerlingen uit de vergelijkingsgroep die precies dezelfde informatie
aangereikt hadden gekregen, en er viel minder dronkenschap te constateren bij
de leerlingen die de gewoonte hadden om wel eens over de schreef te gaan.
In oktober 2001 vond er een bijeenkomst plaats van zes drankweer-organisaties,
waaronder Sobriëtas, waarin werd besproken of het niet mogelijk was om
in een gezamenlijke actie werk te maken van alcoholpreventie. Zou het ineen
slaan van de handen niet tot effectiever optreden kunnen leiden? Sinds die datum
participeert Sobriëtas aan het initiatief dat wordt uitgevoerd door STAP,
de STichting Alcohol Preventie. Via deze stichting wordt op een professionele
manier preventie van alcoholmisbruik bij jongeren aangepakt. De insteek hierbij
is de opvoedingssituatie thuis.
In het kader van dit initiatief is er een landelijk voorlichtingsprogramma ontwikkeld
en is er een website opgezet waardoor dit programma beschikbaar wordt gesteld
voor ouders en hun kinderen. Daarnaast is er een database opgezet waarin gegevens
met betrekking tot het alcoholgebruik van jongeren worden bijgehouden. Tenslotte
initieert deze stichting veel acties om de publieke opinie te mobiliseren en
de politiek tot actiever optreden te bewegen.
STAP gaat ervan uit dat de ouders een belangrijke rol kunnen spelen bij het
omgaan met alcohol door jongeren. De grote vraag is echter: hoe zouden ouders
dat concreet kunnen doen? Hoe praat je met een puber die dolgraag met zijn vrienden
naar de disco wil? Aan ouders worden tal van concrete handreikingen en suggesties
gegeven via de website.
Allereerst is er veel feitelijke informatie aan te treffen op de site.
Op de tweede plaats kunnen ouders op de site lezen welke opvoedingsstijlen er
zoal mogelijk zijn en welke de voorkeur genieten. Moet je met kinderen onderhandelen
over afspraken of moet je gewoon autoritair zeggen hoe je het hebben wil?
Op de derde plaats geeft de site drie belangrijke methodes aan, die ertoe kunnen
bijdragen dat je je kind op een verantwoorde wijze begeleid door deze onstuimige
periode: praten (blijf in contact met je kind, zodat je weet wat er allemaal
gebeurt), afspraken maken (zodat je laat merken dat je niet onverschillig bent
ten opzichte van het doen en laten van je kind) en het goede voorbeeld geven.
Op de vierde plaats ordent de site tal van suggesties in een viertal categorieën:
welke risico’s loopt je kind bij onbegrensd alcoholgebruik (in het verkeer
en op school), aan welke sociale druk staan kinderen bloot en hoe zou je je
kind daarbij kunnen ondersteunen, welke sociale vaardigheden kun je je kind
aanleren om deze druk te weerstaan en welke pedagogische houding stimuleert
je kind het beste om verantwoord met alcohol om te gaan?
Een voorbeeld kan het beste weergeven hoe een en ander is opgezet.
“Mijn dochter Anna van veertien vertelde dat bijna alle kinderen uit haar
klas uitgaan naar een disco tien kilometer bij ons vandaan. We vroegen dit na
bij andere ouders en bij haar mentor van school. Die zeiden dat het klopt dat
veel kinderen af en toe uitgaan. Toen hebben we besloten dat Anna de komende
zaterdag voor het eerst uit mag. We vinden dat Anna nog te jong voor alcohol
is. Dat hebben we met haar besproken. We hebben Anna verteld dat we liever hebben
dat ze thuis een keer een glaasje drinkt. Dan zijn we erbij en kan er niks gebeuren.
Anna zegt dat ze het begrijpt en niet zal drinken. Ik hoop het maar”.
Een klein stukje verderop in de site wordt de volgende suggestie gegeven: “Bespreek wat wel en wat niet mag. Het is belangrijk dat u regelmatig met uw kind praat over haar leefwereld. Zo krijgt u een beter beeld van het leven van uw kind en is het makkelijker een besluit te nemen over uitgaan en alcoholgebruik. Als u besluit dat uw kind uitmag dan zult u duidelijke afspraken met uw kind moeten maken. Het maken van duidelijke afspraken helpt om problemen met alcohol te voorkomen. Door afspraken te maken weten kinderen waar ze aan toe zijn. Ook kan het hen helpen groepsdruk te weerstaan. Controleer de afspraken door bijvoorbeeld te wachten op uw kind als het thuiskomt van de disco”.
In mijn praktijk van onderwijsadviseur in Zuid-west Nederland heb ik kennis mogen maken met een nieuwe pedagogische benadering. Wanneer we met elkaar spreken over deze nieuwe benadering en we zoeken naar een naam gebruiken we meestal de term resilience. Hoewel een definitie u niet veel verder zal brengen in het begrip van deze benadering, wil ik u een voorlopige definitie niet onthouden. Onder ‘resilience’ verstaan we het vermogen (van mensen maar ook van groepen) om zich doorheen moeilijke omstandigheden te ontwikkelen en door te groeien. Bij deze nieuwe benadering gaat het om een ingrijpende wijziging van onze kijk op het leven. Vandaar dat deze benadering ook slechts zeer langzaam en mondjesmaat ingang vindt in het denken en doen van leerkrachten in het katholiek primair onderwijs (mijn werkterrein).
Hoe kijken wij naar kinderen, naar groepen en naar de werkelijkheid? Hoe kijken
wij naar kinderen die in moeilijke omstandigheden opgroeien?
Vaak dringt zich (onder invloed van statistische gegevens) een cynisch beeld
op. “Kinderen die misbruikt worden hebben een grotere kans om later zelf
ook te misbruiken”. “Kinderen die mishandeld worden gaan zich in
veel gevallen later ook te buiten aan mishandeling”. Welke invloed hebben
dergelijke statistische gegevens op onze kijk op een individueel kind dat aan
onze zorgen wordt toevertrouwd? Zien we in dat kind die grotere kans op mislukking,
zijn we erop bedacht dat het misgaat?
De Resilience-benadering vraagt om een wezenlijk andere kijk: “Het gekwetste
leven dat zich dikwijls onverhoopt transformeert tot nieuw leven”. Tegenover
de cynische kijk roept de Resilience-benadering ons op een realistische kijk
te hebben met een oog voor de beperkingen en spanningen waarin een kind opgroeit,
maar ook voor de aanwezige groeimogelijkheden, die dikwijls verborgen gaan achter
gedrag dat op het tegendeel wijst.
Te denken valt aan het straatkind dat op ingenieuze wijze zijn diefstallen pleegt.
Kan deze slimheid, dit vernuft, eventueel deze intelligentie niet ook constructief
gemaakt worden? Kan dit kind niet geprezen worden vanwege de getoonde handigheid
en gevraagd worden om deze handigheid in te zetten voor een of ander project?
Zodat het kind zich aanvaard en gewaardeerd voelt?
Wanneer men vanuit dit ander perspectief naar kinderen kijkt, kan men aandacht
krijgen voor het gegeven dat veel kinderen, die opgroeien in uiterst moeilijke
omstandigheden, zich toch ontwikkelen tot stabiele en verantwoordelijke volwassenen.
Het Resilience-model maakt in haar toepassing op de praktijk vaak gebruik van een beeld, namelijk het beeld van het huis. Kinderen (of groepen) worden vergeleken met een huis dat stormen kan doorstaan. En dit lukt omdat het huis gebouwd is op een stevig fundament, namelijk een fundament van gedragenheid (vrienden, de mensen uit de buurt, familieleden, ouders). Daarboven bevat het huis de kamer van de zingeving. Wanneer een kind zin kan geven aan wat hij doet kan hij zich verder ontwikkelen. Weer een verdieping hoger bevinden zich nog drie kamers: die van de sociale en technische vaardigheden, die van het zelfbeeld en die van de humor. Een stevig huis bevat allemaal goed gestoffeerde en gemeubileerde kamers, die bovendien met elkaar in verbinding staan. Wanneer een kind een lastige vaardigheid onder de knie wil krijgen, is het van belang dat hij een positief zelfbeeld heeft, dat hij de zin van die vaardigheid inziet en dat hij in zijn pogingen ondersteund wordt door mensen die hem dragen.
Dit model geeft min of meer al aan hoe we het vermogen om zich te ontwikkelen
en door te groeien kunnen bevorderen. Relatie en zingeving vormen het fundament
ervan. Gedragenheid wordt concreet in de aanvaarding van de ander als persoon,
niet noodzakelijkerwijs van het gedrag van de ander. Zingeving hangt samen met
het gevoel dat er een positieve band bestaat tussen mij en het leven om me heen
(verbondenheid).
Hoe kunnen we een dergelijke positieve band opbouwen?
- Op de eerste plaats zijn menselijke relaties wezenlijk voor een gevoel van
verbondenheid en het gevoel opgenomen te zijn in een groter geheel.
- Op de tweede plaats kunnen projecten of interesses een belangrijke rol spelen.
- Op de derde plaats geven religieuze overtuigingen vaak expressie aan een diep
gevoelde verbondenheid.
- Ten slotte kan het gevoel grip te hebben op het leven bijdragen aan een gevoel
van een positieve band met het leven om je heen.
Een toenemend aantal scholen gaat van deze Resilience-benadering uit bij de vorming van kinderen. Precies deze zelfde benadering lijkt ook perspectieven te bieden in het begeleiden van jongeren die opgroeien in omstandigheden waarin alcohol rijkelijk voorradig is zoals in onze welvarende westerse samenleving.
Aan het eind gekomen van deze lezing blikken we terug. Sporters kijken graag terug op een succesvol verlopen race. De hele beweging passeert dan weer langs je geestesoog. Hoe verliep het eigenlijk, wat gebeurde er?
Drie momenten in de race blijven hangen, waarmee we wellicht momenten van een
matigheidsspiritualiteit in beeld krijgen.
In deze hele race, in iedere etappe, zien we iets van aangeraakt zijn door mensen
die in moeilijke omstandigheden verkeren.
Een ander moment is de constructie van zin. Waarvoor deden we het eigenlijk?
Waar leidt het naartoe? Is het niet allemaal water naar de zee dragen? Het moment
dat in slow-motion nog eens voorbij komt is wellicht te typeren als een moment
van vertrouwen. We weten niet precies waar het naar toe gaat maar we vertrouwen
erop dat het zin heeft, in religieuze termen: we vertrouwen ons toe aan de liefdevolle
zorgen van God die ons de kracht geeft ons steeds weer in te zetten.
Nog een moment betreft het aangaan van relaties (gedragenheid). Matigheid is
geen individualistisch gebeuren, matigheid ontstaan daar waar mensen elkaar
in verbondenheid ontmoeten (Ariëns ontmoette arbeiders in hun benarde omstandigheden,
leerlingen ontmoeten hun naar identiteit zoekende zelf, ouders ontmoeten hun
kinderen, onderwijzers zoeken naar verbondenheid binnen de school als thuis).
De spiritualiteit van de matigheidsbeweging die we zojuist hebben zien gebeuren
kunnen we derhalve wellicht samenvatten in een drietal kernbegrippen:
• geraakt zijn;
• vertrouwen;
• verbondenheid.
Wanneer deze momenten aan de orde zijn in onze omgang met de aardse goederen,
kunnen we wellicht spreken van matigheid.
Moge deze spiritualiteit telkens weer de dynamiek tot stand brengen in al de initiatieven die steeds weer genomen worden om ons en onze medemensen tot ons recht te laten komen.